Maaike Hoogewoning is operatie-assistent bij defensie: Ik val mijn man niet lastig met heftige dingen

  • -

Maaike Hoogewoning is operatie-assistent bij defensie: Ik val mijn man niet lastig met heftige dingen

Tags :

Categorie : NIEUWS

Maaike Hoogewoning (37) werkt als operatieassistent bij defensie. In haar boek ‘Oorlog in de operatiekamer’ schrijft ze over haar ervaringen tijdens een missie in Afghanistan. ‘Ik vertelde thuis niet dat ik die dag zes keer op de grond had gelegen vanwege een raketaanval.’

© Merlijn Doomernik

Je kunt niet alles trainen

“Ik was een half jaar in opleiding tot operatieassistent toen er een oudere mevrouw binnen werd gebracht die onder de tram was gelopen. Ze was allebei haar benen kwijt. Niets ging zoals ik in de schoolbanken had geleerd, maar een collega zei: ‘Doe maar gewoon wat je kan.’ En dat heb ik gedaan.

Een jaar nadat ik mijn opleiding had afgerond kwam ik op een congres voor operatieassistenten een mooie stand tegen van defensie. Ik raakte aan de praat, hoorde dat je niet alleen in gevechts-, maar ook in andere functies kon werken en op missie gaan. De spanning, de actie, het avontuur, het werken op een heel andere plek met collega’s uit allerlei landen, alles trok me aan.

In 2010 werd ik uitgezonden naar Kandahar in het zuiden van Afghanistan, een gebied met oorlogsdreiging. Je weet dat je daar met een ander soort verwondingen en letsel te maken krijgt dan in Nederland. Je doet cursussen en via simulatie met lotusslachtoffers kom je heel dichtbij. Maar het echt daar staan, het zien, het ruiken, iemand om hulp horen roepen, daar kun je je niet op voorbereiden, dat kun je bijna niet trainen.

Mijn kamergenoot in Kandahar heeft meegemaakt dat een collega ‘bevroor’. Die stond ineens helemaal stil in de operatiekamer en dan gebeurt er dus niets meer, mijn kamergenoot moest het overnemen. Gelukkig bleek dat ik wel, net als bij de mevrouw die onder de tram was gelopen, onder stressvolle omstandigheden in staat ben om te handelen en te doen wat je moet doen. Maar dat weet je pas als je daar staat.”

Foto’s vertellen maar een deel van het verhaal

“Op de basis woonden zeker 30.000 mensen, het was eigenlijk gewoon een stad. Met een centrum, de zogeheten boardwalk, waar je van alles kon kopen. Het was net geen winkelcentrum, maar het leek er wel op. Foto’s helpen om een indruk te geven van het leven daar. Maar ze zeggen niet alles. Als je een foto van mij ziet terwijl ik warme chocolademelk drink bij het Green Beans Café in Kandahar, geeft dat niet echt de oorlog weer. Het toont niet wat er eraan vooraf is gegaan, wat er in je achterhoofd zit, het geluid, de hitte, de geur. Dat kun je met een foto niet overbrengen.

Zo stond er, op een klein stukje lopen van het ziekenhuis, een container voor al het medisch afval: naalden, bebloede gazen, drains, maar ook afgezette ledematen. Soms moest ik midden in de nacht over het donkere terrein lopen met een zak met daarin een arm of een been. Ik vond dat griezelig en luguber. En dan de stank als je die container opendeed: die was ondragelijk.

Toen ik na mijn uitzending thuis een keer tartaar aan het bakken was, stond ik door de geur ineens weer in de operatiekamer in Kandahar. Ik heb een tijdje maar geen tartaartjes gegeten. Gelukkig is die associatie geleidelijk aan verdwenen. Ik duik ook niet meer naar de vloer als er ergens een alarm afgaat.”

Mail is leuk, een kaart nog leuker

“Elke zondag kwam er post. Dan was je als een kind zo zenuwachtig. Zou er iets voor mij bij zitten? Een kaartje is zo leuk, zeker van iemand van wie je het helemaal niet verwacht. Natuurlijk ben je ook blij met een mailtje. Maar dat lees je, je tikt een antwoord en dan is het weg. Een kaart kun je vasthouden, je hangt de hele muur vol met alles wat je krijgt. Ik heb ze allemaal mee naar huis genomen.”

Je partner hoeft niet alles te weten

“Natuurlijk sprak ik mijn man geregeld via Skype. Het contact met het thuisfront is heel belangrijk. Voordat ik op uitzending ging, hebben mijn man en ik echter afgesproken dat we elkaar niet met heftige dingen zouden lastigvallen – hij mij niet met zaken die er thuis gebeurden, ik hem niet met vervelende ervaringen op de basis. Een lek in de badkamer, onverwachte rekeningen: ik kan hem daar in Afghanistan toch niet mee helpen. En wat heeft hij eraan als ik hem zou vertellen dat ik die dag zes keer op de grond heb gelegen vanwege een raketaanval, of dat er een bom is afgegaan naast het gebouw waar ik slaap? Hij zou zich alleen maar nog grotere zorgen maken, en hij kan er verder niets aan doen of veranderen.”

Sport is goed voor je

“Ik heb jarenlang ijshockey gespeeld, was captain van het Nederlands team. Het is een mooie sport. Het gaat om snelheid, tactiek en je doet het met een team, samen. Het is ook een stoere sport, niet te vergelijken met bijvoorbeeld voetbal, met de vele schwalbes.

In Kandahar werden door de Amerikanen geregeld bekende mensen ingevlogen om voor afleiding te zorgen. Op een gegeven moment kwam er een aantal oud-spelers uit de National Hockey League langs met wie ik daar een potje streethockey heb gespeeld. En ik ben met de Stanley Cup (de kampioensbeker, red) op de foto gegaan. In Afghanistan! Dat was me niet gebeurd als ik in Nederland was gebleven.

IJshockeyen doe ik niet meer, ik ben ermee gestopt toen ik zwanger was van mijn eerste. Sporten doe ik nog wel, ik ben nu verslaafd aan crossfit. Het gaat niet meer zozeer om winnen, maar om je hoofd leeg maken. Dat heb ik nodig.”

Oordeel niet te snel

“We behandelden Navo-militairen, maar ook Afghanen die door oorlogsgeweld gewond raakten; politiemensen, militairen, burgers. Soms waren het Afghanen die ervan werden verdacht foute dingen te hebben gedaan. Ter bescherming van ons en ook van de Afghaanse tolken werd zo iemand dan geblinddoekt en kreeg hij een gehoorbeschermer op. Ik had in de operatiekamer sowieso altijd alleen mijn voornaam op mijn naamplaatje staan.

Ik probeer niet te oordelen. Ik ken de achtergrond van die persoon niet. Stel dat de Taliban hebben gedreigd zijn gezin te vermoorden omdat hij weigerde een bermbom te plaatsen? Als hij dan onder dwang die bom plaatst, maakt hem dat een slecht mens? Ik weet het niet, ik weet niet wat ik zelf in die situatie zou doen. Op dat moment heb ik alleen te maken met iemand die medische zorg nodig heeft en daar zijn wij voor.”

Soms is de emmer vol

“Het gebeurde op 17 april 2010. Er werd een Amerikaanse militair binnengebracht. Zijn beide benen waren tot boven de knie afgeblazen. Hij was er heel slecht aan toe. Hij was pas 23, dat is geen leeftijd om dood te gaan. Maar als je naar hem keek, wist je dat hij niet te redden was. We hebben gedaan wat we konden, maar moesten uiteindelijk het besluit nemen de behandeling te staken. Dat was echt moeilijk. Ik kende hem niet, maar ik kan me zijn gezicht nog zo voor de geest halen, weet nog precies hoe hij heette.

Daarna ging ik naar de Dutch Corner, waar elke week een soort gezellig samenzijn was. Maar het was leeg toen ik daar kwam. Het bleek dat die dag twee Nederlandse militairen waren omgekomen in Uruzgan. Ook die mannen kende ik niet, maar toen was de emmer vol. Ik ben verdoofd naar mijn kamer gegaan. Daar heb ik met mijn kamergenoot even flink staan janken. En die keer heb ik de belofte gebroken dat ik mijn man niet met heftige gebeurtenissen zou lastigvallen.

Bij mijn tweede uitzending naar Kandahar, het jaar daarna, kwam opnieuw een militair binnen met enorm zware verwondingen, een Afghaan van de Special Forces. Hij miste twee benen en een arm en had zijn bekken gebroken. Ook hem konden we helaas niet redden. Mijn Amerikaanse collega’s liepen direct daarna de OK af en dat maakte me heel boos. Ik bleef alleen met hem achter. Ik heb hem toen in mijn eentje een beetje schoongemaakt en een doek over hem heen gelegd. Ik wilde hem netjes achterlaten. Die man had ook zijn best gedaan voor zijn land.”

Soms moet je iets opofferen voor een ander

“Op uitzending gaan hoort bij het werk van een beroepsmilitair en ik wil het ook. Bij defensie hoeven vrouwen met kinderen onder de vijf jaar niet op missie. Het mag wel. Mijn kinderen zijn nu vier en zes. Vorig jaar ben ik een maand mee geweest met de Koninklijke Marine, een korte trip, zonder veel risico. We wilden kijken hoe dat ging en het verliep eigenlijk uitstekend.

Eind dit jaar ga ik weer naar Afghanistan, dit keer naar het noorden. Ik vertel mijn kinderen dat mama in een ander land mensen in het ziekenhuis gaat helpen. Ik hoop ze op die manier mee te geven dat je soms iets moet opofferen voor een ander. Natuurlijk kun je je afvragen wat we daar te zoeken hebben, dat blijft een lastige vraag. Maar ik ben toch blij dat de geallieerden dat niet hebben gedacht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat ze de zee zijn overgestoken om anderen te helpen. Ik heb samen met mijn team een klein steentje kunnen bijdragen waardoor er een hoop mensen zijn gered. Sinds mijn ervaringen in Afghanistan is Dodenherdenking voor mij niet meer hetzelfde. Ik ben me veel bewuster geworden van het geluk dat we hier in Nederland hebben.” 

Maaike Hoogewoning 

Maaike Hoogewoning (Zoetermeer, 1981) werkte kort als doktersassistent en was een aantal jaar operatieassistent in het Reinier de Graafziekenhuis in Delft. In 2007 maakte ze de overstap naar defensie. Vier keer ging ze op uitzending: in 2009 maakte ze deel uit van Kfor in Kosovo (Prizren), in 2010 en 2011 van Isaf in Afghanistan (Kandahar) en in 2018 deed ze mee aan de Operatie Sea Guardian op de Middellandse Zee.

Van 1997 tot 2007 was Hoogewoning lid van het Nederlands vrouwenijshockeyteam, vanaf 2001 als aanvoerder.

Hoogewoning is getrouwd en heeft twee kinderen van vier en zes. Eind dit jaar gaat ze opnieuw op missie naar Afghanistan. Onlangs publiceerde ze ‘Oorlog in de operatiekamer. Belevenissen van een militair operatieassistent in Afghanistan’ (Uitgeverij White Elephant, € 22).

Facebooktwitterlinkedin

de Nederlandse Vereniging voor én door Leidinggevenden Operatieafdeling